• Van der Pigge
  • Gierstraat 3
  • Haarlem
023 303 0720
  • Gratis bezorging (NL) vanaf € 35,-
  • Vakkundig advies
  • Veilig betalen
  • Vragen? Bel: 023-3030720

De herkomst van de gaper

Door Roseline Kustner, 23 februari 2015
Deel blog:

Heb je je weleens afgevraagd hoe dat nou precies zit met die gaper van ons? Op 22 augustus 1942 verscheen onderstaand artikel in De Telegraaf. Hierin worden verschillende verklaringen voor de rol van de gaper uit de doeken gedaan. Van der Pigge bestaat inmiddels al 170 jaar. Veel uitspraken in onderstaand artikel worden in onze moderne tijd niet meer als politiek correct of juist beschouwd. Toch vonden wij het leuk om deze oude informatie over de gaper met je te delen.

Graag willen wij benadrukken dat wij daarbij geen politiek standpunt innemen. Houd bij het lezen dus rekening met de tijdgeest.

Lees: en gaap dan niet!

NU weten we waar al die grappige gapers, die apothekers en drogisten aan hun gevels timmerden om de goegemeente te vertellen, dat bij hen pillen en likkepotjes verkrijgbaar waren, zijn gebleven. Ze zijn naarstig gecollectioneerd door den Haarlemmer A.J.M. van Os, die liefst 40 van die hun tong uitstekende koppen heeft verzameld en die ze kortelings in een kleine tentoonstelling heeft doen uitstallen.

Het is eigenlijk jammer, dat deze dwaze grijnshoofden vrijwel uit onze steden zijn verdwenen, want er zijn nog genoeg straatjes in Nederland, waar zoo’n bonte gaperskop uitstekend bij de 17e en 18e-eeuwsche gevels past. Onze moderne drogisten en apothekers hebben ze echter stuk voor stuk neergehaald. Zij pasten niet meer bij de groote winkelramen en de moderne puien en moesten naar den rommelzolder. Gelukkig dat er in ons land iemand is geweest, die de gapers aan den tand des tijds en de knagende houtwormen heeft ontrukt. Zoo zijn deze typische reclamekoppen, die tot de categorie uithangteekens behooren, in elk geval voor het nageslacht bewaard gebleven.

VREEMD genoeg valt er over de gapers niet zoo heel veel te vertellen. Eenige eeuwen lang hebben apothekers en drogisten ze uitgestoken, maar het waarom van de zaak staat niet vast. Zelfs deskundigen op het gebied der uithangteekens als de heeren Van Lennep en Ter Gouw, die er omstreeks 1870 twee dikke boeken over vol schreven, geven geen uitsluitsel. Zij zeggen:

 “Vreemdelingen hebben soms gemeend in de figuren langs de straat het sprekendst bewijs te mogen vinden van het flegma der Hollanders. Omdat, beweerden zij, de Hollanders te droog en te koud zijn om te kunnen lachen, en lachen evenwel een behoefte is voor de menschelijke natuur, zoo hebben zij van afstand tot afstand narren-troniën opgesteld, opdat het aanschouwen daarvan tot lachen wekken mocht.”

Een vrij ongerijmde veronderstelling. De Hollander, en zeker de Amsterdammer, heeft waarlijk zoo’n grijnzend bakkes niet noodig om in een gezonden lach te schieten.

Volgens G. van Hâsselt in zijn Arnhemsche oudheden is de gaper het zinnebeeld of liever het portret van den Schalknar of Willensdwaas, dien de groote heeren er op nahielden en waar de apothekers de afbeelding van voor hun deuren plaatsten tot uitnoodiging voor de lieden een likeurtje te komen drinken. Dat kon men vroeger namelijk ook bij hen koopen! Lang niet elke gaper leek echter op een nar. Het waren meerendeels Muzelmannen met tulbanden op of politieagenten met helmen op het hoofd. Op de Leidschestraat hing er vroeger zelfs een met een zwarten hoogen hoed* op.
Jacobus Scheltema zag in den gaper niet den kop van een nar doch van een stadsdienaar gekleed in stadslivrei, omdat de apothekers stadsambtenaren zouden zijn.

De verzamelaar Van Os gelooft, dat men in den gaper de afbeelding van den knecht van den marktkwakzalver moet zien. Terwijl zijn baas de patiënten onderhanden had, wendde hij zich tot de omstanders om hun aandacht af te leiden en nieuwe slachtoffers te zoeken. Meestal hadden die kwakzalvers kleurlingen tot assistenten en inderdaad waren de meeste gapers morianen of negers.
Van Lennep en Ter Gouw houden er hun eigen meening op na. ’t Is een sprekend blazoen, zoo beweren zij. Gapen is hetgeen de dokters aan den zieke verzoeken te doen: steekt uw tong maar eens uit….! Gapen is noodig om likkepotjes te slikken, gapen deden ook zij, die vroeger den apothekerswinkel binnentraden om er een teug witte of roode “ypocras” of een kruidenwijntje te genieten of iets bitters voor de maag te nemen.

De oudste gaper uit de verzameling-Van Os dateert uit 1693. Hij is afkomstig van de firma H. Brakman te Middelburg. De koopacten van de zaak geven dikwijls zekerheid omtrent den ouderdom van het uithangteeken. Bijvoorbeeld wanneer daarin sprake is van “Het huis waar de gaper uithangt”. Deze koppen zijn niet het eenige speciale uithangteeken der apothekers en drogisten geweest. De drogisten en kruidenverkoopers hadden nog den zaagvischtand met slaapbollen of knoflook buiten hangen, de apothekers, die de pillen bereidden, een vijzel en de chemici een salamander in het vuur. Het uithangen van een hertegewei of steenen hertekop met echt gewei is ook welbekend, evenals de naam “’t Hert” voor apotheek of drogisterij. Twee apothekers te Pompeji, de een in de Herkulanumstraat, de ander tegenover de basilika, hadden op hun uithangborden de slang van Esculaap met een ananas in den bek.

De drogisten waren niet de eenigen, die zich tot zoo’n negerkop aan de pui aangetrokken voelden. Ook de tabaksverkopers hingen hem boven hun deur, zij het ook niet gapend. Te Brugge hing zelfs de Moriaan uit bij een vischkoopman met dit onderschrift:

Dit huis is wel bekent: hier in den Moriaen
Verkoopt men haring, stokvis en labberdaan.

“Wat bekoorlijks toch hadden die zwartkoppen, dat men er zoo gaarne mee pronkte?” vragen alweer Van Lennep en Ter Gouw en zij antwoorden zichzelf: “Misschien omdat het zwart hunner tronies goed afstak tegen het wit van de gevel. Dat kan hier en daar tot de keuze hebben meegewerkt, doch het is de ware reden niet. Die is eenvoudiger: zij hangen er om aan de schoone sekse genoegen te geven; en vraagt iemand bewijs hiervoor, wij geven het met de woorden van Angenietje uit Bredero’s “Moortje”:

Mij was weleer gesegt en iek recht heb, onthouwen
Dat die Moorianen zijn genegen seer tot vrouwen.

Daarmee zou dus het raadsel zijn opgelost. De vrouwen vonden die negerkoppen zoo aardig…. Maar waarom staken zij dan zoo dikwijls hun tong tegen haar uit?

Bron: De Telegraaf, zaterdag 22 augustus 1942

[* Redactionele noot van Van der Pigge: Dit exemplaar bevindt zich thans in het geschiedkundig Medisch Pharmaceutisch Museum te Amsterdam dat in het Stedelijk Museum is ondergebracht.]

Deel blog:

replies are closed