tuingoudsbloem

De tuingoudsbloem (Calendula officinalis) wordt veel toegepast in huidverzorgingsproducten. Bij Van der Pigge is het een van de meest gebruikte kruiden en vind je het o.a. in de nieuwe Huidbalanslijn.

De tuingoudsbloem komt van oorsprong uit Zuid-Europa. Het is een éénjarige plant en komt in Nederland alleen voor als tuinplant, waar hij het overigens erg goed en weinig eisen aan zijn omgeving stelt. Het is een vrij kleine plant die tot ongeveer 45 cm hoog kan worden. De stengel is behaard, maar de haartjes zijn dermate klein dat je ze niet goed kunt zien. De lange bladeren beginnen smal, maar zijn aan de toppen vrij breed.

De plant bloeit lekker lang, grofweg van mei tot november. De bloemen (bloemhoofden) zijn geel of oranje. De vruchten en zaden van de plant verschillen van vorm. De zaden zijn nootjes en zijn gekromd, waarbij de mate van kromming verschilt. De tuingoudsbloem heeft veel zonlicht nodig. De bloemen gaan ‘s ochtends open als de zon erop valt en gaan dicht wanneer de zon weer verdwijnt.

Middelste teunisbloem – Oenothera biennis –

middelste teunisbloem

Ook deze plant wordt gebruikt voor de huid. Als olie wordt de plant toegepast tegen een droge of schilferige huid, slecht helende worden en puistjes.

De middelste teunisbloem is een plant uit de teunisbloemfamilie. Deze familie bevat honderden plantensoorten en wordt o.a. gekenmerkt door enkelvoudige bladeren (bladeren die zich niet splitsen) met een gave of getande* bladrand. Het geslacht Oenothera, waar ook de middelste teunisbloem toe behoort, komt oorspronkelijk uit Amerika en is vanaf de 17e eeuw ingevoerd. Binnen het geslacht zijn diverse kruisingen ontstaan, die bastaarden genoemd worden. Een aantal soorten van het geslacht heeft zich inmiddels een plek in de Europese plantenwereld toegeëigend. De middelste teunisbloem is zo’n soort.

Net als de kleine en de grote teunisbloem, geldt ook voor de middelste teunisbloem dat het een vrij grote plant is met een dikke penwortel. Hij overwintert als rozet (een krans bladeren onderaan de steel, net als bij een paardenbloem). Alle planten van het geslacht bloeien eenmalig en sterven daarna af. Wanneer ze bloeien, verschilt per exemplaar. Het kan binnen een half jaar plaatsvinden, maar ook pas na een paar jaar. Het bijzondere aan deze planten is dat ze ‘s avonds bloeien (!) en niet overdag zoals vrijwel alle andere planten.

De verschillen tussen de drie soorten teunisbloemen in Nederland (de grote, kleine en middelste) hebben betrekking op de rozet en de stengel. Bij de middelste teunisbloem is de rozet op de grond (dat is niet zo bij de kleine teunisbloem) en is de voet van de bloemstengel vaak rood (niet bij de kleine teunisbloem). De stengel van de grote teunisbloem bevat talrijke rode knobbeltjes. Deze knobbeltjes kunnen ook bij de middelste teunisbloem voorkomen (bastaard), maar niet in zo’n grote mate.

De middelste teunisbloem komt voor op droge, zonnige plaatsen op zandgrond (al dan niet met stenen)en vrij voedselrijke grond. Hij heeft daarbij een sterke voorkeur voor kalkhoudende grond. Je vindt ze vaak in de duinen, langs het spoor, bij steenfabrieken en in de berm. De middelste teunisbloem is een kenmerkende soort voor ruderale** standplaatsen, om precies te zijn de Slangenkruid-associatie. Deze associatie, waarbij diverse distelsoorten voor kunnen komen, vind je op lichte, basische gronden met zand of krijt waarbij bodemverstoring heeft plaatsgevonden. In Nederland komt deze plantengemeenschap o.a. voor in de duinen en Zuid-Limburg.

* Bladeren met een getande bladrand hebben randen die niet (helemaal) glad zijn, maar kleine inkepingen hebben. Ook zijn er aan de rand van deze inkepingen punten aanwezig. Hulst is een voorbeeld van een plant met een getande bladrand.

** Met ruderaal wordt bedoeld: plekken waar grond of ander materiaal van elders in terechtgekomen is. Voorbeelden van ruderale plekken zijn spoorwegterreinen, (steen)fabrieksterreinen, maar ook rivieren. Bij rivieren komt grond van plekken die hoger langs de rivier liggen met de stroom stroom mee naar een lager punt, waar het vastraakt aan de wal of bodem.